Repertorium Hulthem

De borch van vroudenrijc

Hulthem-Nr: 
49  (f. 51vb,26-52vb,41)
Opschrift: 
De borch van vroudenrijc die augustijnken maecte ·xlix·
Incipit: 
Wel behaghen es ghenoecht Maer eest ondoecht
Explicit: 
Dat si behoeden waer si moghen Haer edel borch met haren ridderen viue
Afrondingsformule: 
Nota ·C·lxxviij· verse
Weergave inhoud: 
Kortgeleden had ik een visioen, waarin ik een burcht zag zo volmaakt van vorm, met een albasten facade, twee vensters, een pilaar, met rozen begroeide muren, met ivoren zetels in een zaal en het geheel bedekt met gouddraad. De burcht stond op een olijfboom met twee takken en met elk vijf loten. De burggraaf was de eerlijke en dappere Reinout en hij had vijf ridders die hem trouw dienden. De betekenis hiervan: de burcht is het hoofd van een jonkvrouw, de vensters haar ogen, de pilaar haar neus, de zaal haar mond met ivoren tandjes. De olijfboom is haar lichaam, met twee armen en elk vijf vingers, haar hart is de burggraaf met vijf zintuigen als dienaren. Pas op, schoonheid, laat geen opdringerige boeven bij u binnen. Augustijnken waarschuwt alle reine vrouwen om haar edele burcht met haar vijf zintuigen dapper te verdedigen en te behoeden.
Namen: 
Augustijnken Cleer Besach (heer) Hoernaer (heer) Lichtghevoel (heer) Reinout (heer) Rouckaert (heer) Smakelijn (heer)
Auteurs: 
Augustijnken (Augustijnken van Dordt?)
Augustijnken (Augustijnken van Dordt?)
Ook bekend als: AugustinAugustinken
Datering: 14e eeuw (1358-ca. 1370)
Auteur van nrs. 49, 129 en 179. Reizend sprookspreker van de graven van Holland en/of Jan van Blois, waarschijnlijk woonachtig in (de omgeving van) Dordrecht.
Secundaire literatuur
J.M.A.W. Asselbergs, 'De bijbel in de late Middeleeuwen'. In: J.M.A.W. Asselbergs, Nijmeegse colleges. Zwolle (Tjeenk Willink) 1967, p. 92-112. Zwolse reeks 19.
D. Buddingh, Geschiedenis van opvoeding en onderwijs met betrekking tot het bijbellezen en godsdienstig onderricht op de scholen in de Nederlanden. 's-Gravenhage (Van 't Haaff) 1843. 2 dln. in 3 bdn.: 2e stuk, 1e dl. p. 10-12
J. van Dam, 'Die niederländische Dichtung des Mittelalters im Spiegel der deutschen'. In: Rheinische Vierteljahrsblätter 7 (1937), p. 1-18.
A. van Duinkerken, Beeldenspel van Nederlandse dichters. Utrecht etc. (Spectrum) 1957. Prismaboeken 295.: p. 27-32
K. Heeroma, 'De localisering van de tweede Reinaert'. In: K. Heeroma, De andere Reinaert. 's-Gravenhage (Bakker) 1970, p. 152-188.: p. 186-188
D. Hogenelst & F. van Oostrom, Handgeschreven wereld. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen. Amsterdam (Prometheus) 1995.: p. 184-186
W.J.A. Jonckbloet, Geschiedenis der Middennederlandsche dichtkunst. Amsterdam (Van Kampen) 1851-1855. 3 dln.: dl. 3 p. 396-403
T. Meder, Sprookspreker in Holland. Leven en werk van Willem van Hildegaersberch (ca. 1400). Amsterdam (Prometheus) 1991. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen 3. Diss. Leiden.
J. van Mierlo, Geschiedenis van de Oud- en Middelnederlandsche letterkunde. Antwerpen etc. (Standaardboekhandel) 1928.: p. 204
J. van Mierlo, De letterkunde van de Middeleeuwen. 2e, herz. en verm. dr. 's-Hertogenbosch etc. (Malmberg etc.) 1949. Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden. Onder redactie van F. Baur, W.J.M.A. Asselbergs, J. van Mierlo e.a. Dl. 1 en 2.: dl. 1 p. 389-390
M. Ramondt, 'Problemen in en om het Haagse liederenhandschrift'. In: Tijdschrift voor Ned. taal- en letterkunde 63 (1944), p. 63-81.
M. Schönfeld, 'Uit middeleeuwse kronieken'. In: Tijdschrift voor Ned. taal- en letterkunde 34 (1915-1916), p. 107-121.
C.P. Serrure, Letterkundige geschiedenis van Vlaanderen. Eerste deel: Nederlandsche en Fransche letterkunde tijdens XII, XIII en XIVde eeuwen. Gent (De Busscher) 1872.: p. 434
R. Sleiderink, 'Dichters aan het Brabantse hof (1356-1406)'. In: De nieuwe taalgids 86 (1993), p. 1-16.: p. 6-7
M.C.L. Smits, Augustijnken van Dordt. (Ongepubl. doctoraalscriptie, te raadplegen bij de Universiteit van Amsterdam, Documentatiecentrum Nederlandse Letterkunde, nr. 778).: (scriptie)
B. Wiekard, Augustijnken van Dordt. (Ongepubl. doctoraalscriptie, te raadplegen bij de Universiteit van Amsterdam, Documentatiecentrum Nederlandse Letterkunde, nr. 941).: (scriptie)
J.F. Willems, 'Berichten wegens oude Nederduitsche dichters'. In: Belgisch museum 1 (1837), p. 326-380.: p. 353-357
J. te Winkel, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Haarlem (Bohn) 1887.: p. 479-482
Tekstsoort: 
Minnerede (Brandis 1968), minneraadsel (Hogenelst 1997), allegorische tekst.
Vorm: 
rijm: aabb/abab
Lengte: 
178 vss.
Aanvullende informatie: 
Initiaal-W 2 regels hoog, lombarden (1 regel hoog) op onregelmatige plaatsen, Nota met horizontale streep gerubriceerd. ─ Auteur wordt bekend in vs. 175; waarschijnlijk een bewerking van Franse bron (Heeroma 1968B), datering: tussen 1358-1370. ─ Lombarden vss. 81, 90, 96, 106, 118 en 135: structurering per ridder. Rijmschema overwegend aabb, de 4 slotverzen echter: abab. Onzuiver rijm: vss. 87/88 en 141/142; gelijk rijm vss. 83/84.
Petit-Nommer(s): 
598e
Edities: 
Blommaert 1838-1851 , dl. 3 p. 144-146
Blommaert 1838-1851 Ph. Blommaert (ed.), Oudvlaemsche gedichten der XIIe, XIIIe en XIVe eeuwen. Gent (Hebbelynck) 1838-1851. 3 dln.
Blommaert 1856B , p. 144-146
Blommaert 1856B Ph. Blommaert (ed.), Die Dietsche Lucidarius, leerdicht der xive eeuw gevolgd door andere gedichten uit hetzelfde tijdvak. Gent (Hebbelynck) 1856.
Brinkman/Schenkel 1999 , band 1 p. 335-340
Brinkman/Schenkel 1999 H. Brinkman & J. Schenkel (ed.), Het handschrift-Van Hulthem. Hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, 15.589-623. Diplomatische editie bezorgd door -. Hilversum (Verloren) 1999. 2 banden. Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden 7/1-2.
Kossmann 1940 , p. 122-124 (paralleltekst + tekstvarianten in hs.-Van Hulthem)
Kossmann 1940 E.F. Kossmann, Die Haager Liederhandschrift. Faksimile des Originals mit Einleitung und Transskription. Hrsg. von ─. 's-Gravenhage (Martinus Nijhoff) 1940.
Willems 1837B , dl. 3 p. 353-357
Willems 1837B J.F. Willems, 'Berichten wegens oude Nederduitsche dichters'. In: Belgisch museum 1 (1837), p. 326-380.
Secundaire literatuur: 
Van Anrooij 1991 , p. 187
Van Anrooij 1991 W. van Anrooij & A.M.J. van Buuren, ''sLevens felheid in één band: het handschrift-Van Hulthem'. In: H. Pleij e.a., Op belofte van profijt. Stadsliteratuur en burgermoraal in de Nederlandse letterkunde van de Middeleeuwen. Amsterdam (Prometheus) 1991, p. 184-199 en 385-391. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen 4.
Bakkum , (scriptie)
Bakkum J.T.M. Bakkum, Augustijnken, een spreker. (Ongepubl. doctoraalscriptie, te raadplegen bij de Universiteit van Amsterdam, Documentatiecentrum Nederlandse Letterkunde, nr. 1261).
Blommaert 1838-1851 , dl. 3 p. IX-XI
Blommaert 1838-1851 Ph. Blommaert (ed.), Oudvlaemsche gedichten der XIIe, XIIIe en XIVe eeuwen. Gent (Hebbelynck) 1838-1851. 3 dln.
Brandis 1968 , p. 140 (369)
Brandis 1968 T. Brandis, Mittelhochdeutsche, mittelniederdeutsche und mittelniederländische Minnereden. München (Beck) 1968. Münchener Texte und Untersuchungen zur deutschen Literatur des Mittelalters 25.
Glier 1971 , p. 266, 269, 274, 277 (noten)
Glier 1971 I. Glier, Artes amandi. Untersuchung zu Geschichte, Überlieferung und Typologie der deutschen Minnereden. München (Beck) 1971. Münchener Texte und Untersuchungen zur deutschen Literatur des Mittelalters Bd. 34.
Heeroma 1968B
Heeroma 1968B K. Heeroma, 'De borch van vroudenrijc'. In: Tijdschrift voor Ned. taal- en letterkunde 84 (1968), p. 1-37.
Hogenelst 1997 , dl. 2 p. 49 (50)
Hogenelst 1997 D. Hogenelst, Sprekers en sproken. Inleiding op en repertorium van de Middelnederlandse sproke. Amsterdam (Prometheus) 1997. 2 dln. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen 15. Diss. Leiden.
Jonckbloet 1851-1855 , dl. 3 p. 402
Jonckbloet 1851-1855 W.J.A. Jonckbloet, Geschiedenis der Middennederlandsche dichtkunst. Amsterdam (Van Kampen) 1851-1855. 3 dln.
Van Mierlo 1928 , p. 204
Van Mierlo 1928 J. van Mierlo, Geschiedenis van de Oud- en Middelnederlandsche letterkunde. Antwerpen etc. (Standaardboekhandel) 1928.
Van Mierlo 1949 , dl. 1 p. 69
Van Mierlo 1949 J. van Mierlo, De letterkunde van de Middeleeuwen. 2e, herz. en verm. dr. 's-Hertogenbosch etc. (Malmberg etc.) 1949. Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden. Onder redactie van F. Baur, W.J.M.A. Asselbergs, J. van Mierlo e.a. Dl. 1 en 2.
Ramondt 1944 , p. 68 en 71
Ramondt 1944 M. Ramondt, 'Problemen in en om het Haagse liederenhandschrift'. In: Tijdschrift voor Ned. taal- en letterkunde 63 (1944), p. 63-81.
Schludermann 1996
Schludermann 1996 B. Schludermann, A quantitative analysis of German/Dutch language mixture in the Berlin songs mgf 922, the Gruuthuse-songs, and the Hague ms 128 E 2. Göppingen (Kümmerle) 1996. 3 dln. Göppinger Arbeiten zur Germanistik 338.
Standaert 1946 , (licentiaatsverhandeling)
Standaert 1946 R. Standaert, Gedichten van Augustijnkijn, een spreker aan het hof van Holland en van Bloys. Licentiaatsverhandeling Gent 1946.
Willems 1837B , p. 353-354
Willems 1837B J.F. Willems, 'Berichten wegens oude Nederduitsche dichters'. In: Belgisch museum 1 (1837), p. 326-380.
Te Winkel 1887 , p. 482
Te Winkel 1887 J. te Winkel, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Haarlem (Bohn) 1887.
Te Winkel 1922-1927 , dl. 2 p. 104-105
Te Winkel 1922-1927 J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. 2e dr. Haarlem (Bohn) 1922-1927. 7 dln. [Ongew. herdr. Utrecht etc., 1973].
Zacher 1841 , p. 257
Zacher 1841 J. Zacher, 'Handschriften im Haag'. In: Zeitschrift für deutsches Altertum 1 (1841), p. 209-269.
Parallellen en varianten: 
Vss. 1-178  's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 128 E 2  [1375 - 1425] , f. 59vb-61ra (186 vss.)
's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 128 E 2
(olim 721, olim AA 64)
Post quem: 1375
Ante quem: 1425
Datering: ca. 1400
Overeenkomst met Hulthem-nr(s): 25,  48,  49,  50,  51,  78,  (2x) 79,  117,  121,  129,  154,  157
Zie: 
Kossmann 1940 , p. 122-124
Kossmann 1940 E.F. Kossmann, Die Haager Liederhandschrift. Faksimile des Originals mit Einleitung und Transskription. Hrsg. von ─. 's-Gravenhage (Martinus Nijhoff) 1940.