Repertorium Hulthem

Vander rijcheit ende vander doot

Hulthem-Nr: 
179  (f. 182va,35-183ra,40)
Opschrift: 
Vander rijcheit ende vander doot ·C·lxxix·
Incipit: 
God heeft ghemaect ·iij· poente fijn Die der zielen baten
Explicit: 
Gheheten was hi augustijn God bringhe die ziele wt alre noet
Afrondingsformule: 
Amen ·lxxxiiij· verse
Weergave inhoud: 
Drie dingen baten de ziel: hoop en trouw vermengd met naastenliefde. Maar de hebzucht lijkt het hiervan te winnen. Al ben ik edel, schoon, deugdzaam, maar arm, dan wordt de rijke boven mij verkozen: men schrijft hem deugd en wijsheid toe. Als ik rijk was, zou ik veel vrienden hebben. Verloor ik echter mijn bezit, dan lieten al mijn vrienden mij in de steek en ontliepen mijn wijsheid en raad. Als rijken aan geld vier dingen verbinden: jeugd, voorspoed, onsterfelijkheid en gezond nageslacht, jagen ze alleen bezit na, terwijl niemand de dood ontloopt. Hebzucht is een verleidelijk vergif. Het leven is tijdelijk en onzeker. Ik heb twee dingen geleerd: je weet niet wanneer je sterft en waar je heen gaat. In het hemelrijk kom je met listen niet ver, daar geldt alleen waarheid. Alles is aan de Rechter bekend. Al houd je nog zo van je penningen, geef toch ieder het zijne. Dit zegt een overleden dichter, Augustijn genaamd. God hebbe zijn ziel. [Getalsymboliek: 1 kunstenaar, 2 levenslessen, 3 goddelijke deugden en 4 wensen van rijken.]
Namen: 
Augustijn
Auteurs: 
Augustijnken (Augustijnken van Dordt?)
Augustijnken (Augustijnken van Dordt?)
Ook bekend als: AugustinAugustinken
Datering: 14e eeuw (1358-ca. 1370)
Auteur van nrs. 49, 129 en 179. Reizend sprookspreker van de graven van Holland en/of Jan van Blois, waarschijnlijk woonachtig in (de omgeving van) Dordrecht.
Secundaire literatuur
J.M.A.W. Asselbergs, 'De bijbel in de late Middeleeuwen'. In: J.M.A.W. Asselbergs, Nijmeegse colleges. Zwolle (Tjeenk Willink) 1967, p. 92-112. Zwolse reeks 19.
D. Buddingh, Geschiedenis van opvoeding en onderwijs met betrekking tot het bijbellezen en godsdienstig onderricht op de scholen in de Nederlanden. 's-Gravenhage (Van 't Haaff) 1843. 2 dln. in 3 bdn.: 2e stuk, 1e dl. p. 10-12
J. van Dam, 'Die niederländische Dichtung des Mittelalters im Spiegel der deutschen'. In: Rheinische Vierteljahrsblätter 7 (1937), p. 1-18.
A. van Duinkerken, Beeldenspel van Nederlandse dichters. Utrecht etc. (Spectrum) 1957. Prismaboeken 295.: p. 27-32
K. Heeroma, 'De localisering van de tweede Reinaert'. In: K. Heeroma, De andere Reinaert. 's-Gravenhage (Bakker) 1970, p. 152-188.: p. 186-188
D. Hogenelst & F. van Oostrom, Handgeschreven wereld. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen. Amsterdam (Prometheus) 1995.: p. 184-186
W.J.A. Jonckbloet, Geschiedenis der Middennederlandsche dichtkunst. Amsterdam (Van Kampen) 1851-1855. 3 dln.: dl. 3 p. 396-403
T. Meder, Sprookspreker in Holland. Leven en werk van Willem van Hildegaersberch (ca. 1400). Amsterdam (Prometheus) 1991. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen 3. Diss. Leiden.
J. van Mierlo, Geschiedenis van de Oud- en Middelnederlandsche letterkunde. Antwerpen etc. (Standaardboekhandel) 1928.: p. 204
J. van Mierlo, De letterkunde van de Middeleeuwen. 2e, herz. en verm. dr. 's-Hertogenbosch etc. (Malmberg etc.) 1949. Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden. Onder redactie van F. Baur, W.J.M.A. Asselbergs, J. van Mierlo e.a. Dl. 1 en 2.: dl. 1 p. 389-390
M. Ramondt, 'Problemen in en om het Haagse liederenhandschrift'. In: Tijdschrift voor Ned. taal- en letterkunde 63 (1944), p. 63-81.
M. Schönfeld, 'Uit middeleeuwse kronieken'. In: Tijdschrift voor Ned. taal- en letterkunde 34 (1915-1916), p. 107-121.
C.P. Serrure, Letterkundige geschiedenis van Vlaanderen. Eerste deel: Nederlandsche en Fransche letterkunde tijdens XII, XIII en XIVde eeuwen. Gent (De Busscher) 1872.: p. 434
R. Sleiderink, 'Dichters aan het Brabantse hof (1356-1406)'. In: De nieuwe taalgids 86 (1993), p. 1-16.: p. 6-7
M.C.L. Smits, Augustijnken van Dordt. (Ongepubl. doctoraalscriptie, te raadplegen bij de Universiteit van Amsterdam, Documentatiecentrum Nederlandse Letterkunde, nr. 778).: (scriptie)
B. Wiekard, Augustijnken van Dordt. (Ongepubl. doctoraalscriptie, te raadplegen bij de Universiteit van Amsterdam, Documentatiecentrum Nederlandse Letterkunde, nr. 941).: (scriptie)
J.F. Willems, 'Berichten wegens oude Nederduitsche dichters'. In: Belgisch museum 1 (1837), p. 326-380.: p. 353-357
J. te Winkel, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Haarlem (Bohn) 1887.: p. 479-482
Tekstsoort: 
Religieuze sproke (Hogenelst 1997), leerdicht.
Vorm: 
rijm: abababab
Lengte: 
84 vss., 10 strofen van 8 en 1 strofe van 4 regels
Aanvullende informatie: 
Initiaal-G 2 regels hoog, lombarden (1 regel hoog) om de 8 regels, Amen met horizontale streep gerubriceerd. ─ De auteur wordt bekend gemaakt in vs. 83, tekstdatering: tussen 1358-1370. ─ Strofenindeling gebaseerd op rijmschema en lombarden. Slot: 4 vss. epiloog ter nagedachtenis van augustijn.
Petit-Nommer(s): 
598f
Edities: 
Blommaert 1838-1851 , dl. 3 p. 147-148
Blommaert 1838-1851 Ph. Blommaert (ed.), Oudvlaemsche gedichten der XIIe, XIIIe en XIVe eeuwen. Gent (Hebbelynck) 1838-1851. 3 dln.
Blommaert 1856B , p. 147-148
Blommaert 1856B Ph. Blommaert (ed.), Die Dietsche Lucidarius, leerdicht der xive eeuw gevolgd door andere gedichten uit hetzelfde tijdvak. Gent (Hebbelynck) 1856.
Brinkman/Schenkel 1999 , band 2 p. 947-949
Brinkman/Schenkel 1999 H. Brinkman & J. Schenkel (ed.), Het handschrift-Van Hulthem. Hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, 15.589-623. Diplomatische editie bezorgd door -. Hilversum (Verloren) 1999. 2 banden. Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden 7/1-2.
Secundaire literatuur: 
Van Anrooij 1991 , p. 187
Van Anrooij 1991 W. van Anrooij & A.M.J. van Buuren, ''sLevens felheid in één band: het handschrift-Van Hulthem'. In: H. Pleij e.a., Op belofte van profijt. Stadsliteratuur en burgermoraal in de Nederlandse letterkunde van de Middeleeuwen. Amsterdam (Prometheus) 1991, p. 184-199 en 385-391. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen 4.
Bakkum , (scriptie)
Bakkum J.T.M. Bakkum, Augustijnken, een spreker. (Ongepubl. doctoraalscriptie, te raadplegen bij de Universiteit van Amsterdam, Documentatiecentrum Nederlandse Letterkunde, nr. 1261).
Blommaert 1838-1851 , dl. 3 p. IX-XI
Blommaert 1838-1851 Ph. Blommaert (ed.), Oudvlaemsche gedichten der XIIe, XIIIe en XIVe eeuwen. Gent (Hebbelynck) 1838-1851. 3 dln.
Hogenelst 1997 , p. 95 (125)
Hogenelst 1997 D. Hogenelst, Sprekers en sproken. Inleiding op en repertorium van de Middelnederlandse sproke. Amsterdam (Prometheus) 1997. 2 dln. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen 15. Diss. Leiden.
Jonckbloet 1851-1855 , dl. 3 p. 402
Jonckbloet 1851-1855 W.J.A. Jonckbloet, Geschiedenis der Middennederlandsche dichtkunst. Amsterdam (Van Kampen) 1851-1855. 3 dln.
Van Mierlo 1928 , p. 204
Van Mierlo 1928 J. van Mierlo, Geschiedenis van de Oud- en Middelnederlandsche letterkunde. Antwerpen etc. (Standaardboekhandel) 1928.
Van Moerkerken 1904 , p. 171
Van Moerkerken 1904 P.H. van Moerkerken, De satire in de Nederlandsche kunst der Middeleeuwen. Amsterdam (Van Looy) 1904. Diss. Utrecht.
Standaert 1946 , (licentiaatsverhandeling)
Standaert 1946 R. Standaert, Gedichten van Augustijnkijn, een spreker aan het hof van Holland en van Bloys. Licentiaatsverhandeling Gent 1946.
Te Winkel 1887 , p. 482
Te Winkel 1887 J. te Winkel, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Haarlem (Bohn) 1887.
Te Winkel 1922-1927 , dl. 2 p. 105
Te Winkel 1922-1927 J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. 2e dr. Haarlem (Bohn) 1922-1927. 7 dln. [Ongew. herdr. Utrecht etc., 1973].
Parallellen en varianten: