Repertorium Hulthem
Vanden fondamente ·lj·
Hulthem-Nr:
51
(f. 54ra,1-54rb,23)
Opschrift:
Vanden fondamente ·lj·
Incipit:
Een salich wijf van jonghen daghen
Hoerdic wilen in eenre stat
Explicit:
Allen goeden reinen wiuen
Gheuic hier exempel aen
Afrondingsformule:
Nota ·lxiiij· verse
Weergave inhoud:
Ik hoorde eens een schone jonkvrouw aan een gezelschap de volgende vraag stellen: Een man heeft kosten noch moeite gespaard om op maagdelijke grond een sterk, prachtig kasteel gebouwd. Als het kasteel nu eens in puin zou storten, wat moest men hem dan adviseren: het laten herbouwen op een nieuw fundament of op de oude grondvesten? Elk lid van het gezelschap gaf zijn mening hierover. Daarna vroeg ik de jonkvrouw of ik het verlossende woord mocht spreken: door boos opzet zijn vaak kastelen en ook steden ten onder gegaan. Als echter een kasteel vanzelf instort, dan moet het fundament wel slecht zijn en kan men er beter niet opnieuw op bouwen. Van wijze lieden heb ik gehoord: al breekt men een boom dan blijft de wortel behouden. Deze kan weer uitlopen en nog betere vruchten voortbrengen dan voorheen. Voor alle edele vrouwen is dit exempel bestemd.
Auteurs:
Anoniem?
Anoniem?
Datering: onbekend
Toeschrijving van auteurschap onzeker of wordt betwijfeld. Dit is met name het geval voor de 49 teksteenheden die door Van Eeghem zijn toegeschreven aan Jan Dille (zie Jan Dille?).
Jan Dille?
Jan Dille?
Datering: onbekend
49 teksteenheden toegeschreven door Van Eeghem aan Jan Dille. Betwijfeld (en voor de abele spelen weerlegd) door Van Mierlo. - Nr. 68 toegeschreven door Jonckbloet aan Jan van Hollant en door Van Eeghem aan Jan Dille.
Secundaire literatuur
W. van Eeghem, Brusselse dichters. Brussel (Simon Stevin) 1958-1963. 5 dln.: dl. 3 passim, en p. 184 voor nr. 68.
J. van Mierlo, 'Is Jan Dille de dichter van onze abele spelen?'. In: Versl. & meded. van de Kon. Vl. Acad. voor taal- en letterkunde 1957, p. 65-83.
W.J.A. Jonckbloet, Geschiedenis der Middennederlandsche dichtkunst. Amsterdam (Van Kampen) 1851-1855. 3 dln.: dl. 3 p. 305
Tekstsoort:
Exempel (volgens slotvers); minnerede (Brandis 1968), minneraadsel (Hogenelst 1997), allegorische tekst.
Aanvullende informatie:
Initiaal-E 2 regels hoog, Nota met horizontale streep gerubriceerd.
Edities:
Brinkman/Schenkel 1999
, band 1 p. 344-346
Brinkman/Schenkel 1999
H. Brinkman & J. Schenkel (ed.), Het handschrift-Van Hulthem. Hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, 15.589-623. Diplomatische editie bezorgd door -. Hilversum (Verloren) 1999. 2 banden. Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden 7/1-2.
Van Eeghem 1958-1963
, dl. 3 p. 181-182 (fragment)
Van Eeghem 1958-1963
W. van Eeghem, Brusselse dichters. Brussel (Simon Stevin) 1958-1963. 5 dln.
Serrure 1855
, p. 357-359
Serrure 1855
C.P. Serrure (ed.), 'Kleine gedichten uit de dertiende en veertiende eeuwen'. In: Vaderlandsch museum 1 (1855), p. 41-99 en 296-401.
Secundaire literatuur:
Brandis 1968
, p. 146 (385)
Brandis 1968
T. Brandis, Mittelhochdeutsche, mittelniederdeutsche und mittelniederländische Minnereden. München (Beck) 1968. Münchener Texte und Untersuchungen zur deutschen Literatur des Mittelalters 25.
Van Eeghem 1958-1963
, dl. 3 p. 179, 181-182
Van Eeghem 1958-1963
W. van Eeghem, Brusselse dichters. Brussel (Simon Stevin) 1958-1963. 5 dln.
Glier 1971
, p. 266 n. 177, 274 n. 203
Glier 1971
I. Glier, Artes amandi. Untersuchung zu Geschichte, Überlieferung und Typologie der deutschen Minnereden. München (Beck) 1971. Münchener Texte und Untersuchungen zur deutschen Literatur des Mittelalters Bd. 34.
Hogenelst 1997
, dl. 2 p. 50 (52)
Hogenelst 1997
D. Hogenelst, Sprekers en sproken. Inleiding op en repertorium van de Middelnederlandse sproke. Amsterdam (Prometheus) 1997. 2 dln. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen 15. Diss. Leiden.
Peters 1972
, p. 124 n. 3
Peters 1972
U. Peters, 'Cours d'amour ─ Minnehof. Ein Beitrag zum Verhältnis der französischen und deutschen Minnedichtung zu den Unterhaltungsformen ihres Publikums'. In: Zeitschrift für deutsches Altertum 101 (1972), p. 117-133.
Ramondt 1944
, p. 67
Ramondt 1944
M. Ramondt, 'Problemen in en om het Haagse liederenhandschrift'. In: Tijdschrift voor Ned. taal- en letterkunde 63 (1944), p. 63-81.
Rheinheimer 1975
, p. 221
Rheinheimer 1975
M. Rheinheimer, Rheinische Minnereden. Untersuchungen und Edition. Göppingen (Kümmerle) 1975. Göppinger Arbeiten zur Germanistik 144.
Schludermann 1996
Schludermann 1996
B. Schludermann, A quantitative analysis of German/Dutch language mixture in the Berlin songs mgf 922, the Gruuthuse-songs, and the Hague ms 128 E 2. Göppingen (Kümmerle) 1996. 3 dln. Göppinger Arbeiten zur Germanistik 338.
Wildeman 1985
, (scriptie)
Wildeman 1985
J. Wildeman, Om te cortene den tijt. Onderzoekingen naar cour d'amour-traditie in enkele Middelnederlandse poëtische teksten. (Ongepubl. doctoraalscriptie Leiden 1985, te raadplegen bij de Vakgroep Nederlands R.U. Leiden, OA 93).
Zacher 1841
, p. 260
Zacher 1841
J. Zacher, 'Handschriften im Haag'. In: Zeitschrift für deutsches Altertum 1 (1841), p. 209-269.
Parallellen en varianten:
Vss. 1-64
's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 128 E 2
[1375 - 1425]
, f. 66rb-66va
's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 128 E 2
(olim 721, olim AA 64)
Post quem: 1375
Ante quem: 1425
Datering: ca. 1400
Overeenkomst met Hulthem-nr(s):
25,
48,
49,
50,
51,
78,
(2x)
79,
117,
121,
129,
154,
157
Zie:
Kossmann 1940
, p. 135-136
Kossmann 1940
E.F. Kossmann, Die Haager Liederhandschrift. Faksimile des Originals mit Einleitung und Transskription. Hrsg. von ─. 's-Gravenhage (Martinus Nijhoff) 1940.