Repertorium Hulthem

Een liedeken ·lviij·

Hulthem-Nr: 
58  (f. 57rb,8-57va,31)
Opschrift: 
Een liedeken ·lviij·
Incipit: 
Hi sprac lief wiltu mijns ghedincken Dinen orlof willic ontfaen
Explicit: 
Een suuer cleit heeft si ane ghedaen Een heilich leuen ghinc si doe leiden
Afrondingsformule: 
Item ·xliij· verse.
Weergave inhoud: 
Hij zei: Lief, zul je altijd aan me blijven denken nu we afscheid moeten nemen? Zij zei: Moet je nu al afscheid nemen? Kun je nog niet even blijven? Toen hij haar zo bedroefd zag, wilde hij de scheiding niet langer uitstellen. Met veel verdriet beloofden ze elkaar eeuwige trouw. Hij sneed zich met een mesje in zijn hand en bezegelde zijn trouw met zijn bloed. Zij stak een gouden ring aan zijn vinger, zodat hij altijd aan haar zou denken waar hij ook was. Hij stelde zich onder de hoede van St. Jan. Ze wenste hem Gods zegen en de bescherming van Onze-Lieve-Vrouw. Na zijn vertrek bleef zij in grote droefheid achter. Ze verwisselde haar mooie kleren voor een suuer (rein, ingetogen) kleed en ging een vroom leven leiden.
Namen: 
Johannes de Doper/Baptista (St.)
Auteurs: 
Anoniem
Anoniem
Datering: onbekend
Over de auteurs van 119 teksteenheden en delen van nr. 108 en 148 is geen enkel gegeven bekend.
Tekstsoort: 
Liedeken (volgens opschrift); lied (Strijbosch 1996).
Vorm: 
rijm: ababCDE
Lengte: 
43 vss., 10 strofen van 4 regels + refrein van 3 regels
Aanvullende informatie: 
Initiaal-H 2 regels hoog, lombarden (2 regels hoog) op 5e en 8e regel en daarna om de 5 regels, paragraafteken vóór elke refreinaanduiding; onderschrift genoteerd in textualis. ─ Refrein: Och ghedinct mijns dies biddic dy / Al in wat lande dattu bist / Dies willic vroulijc zinghen. ─ Strofenindeling gebaseerd op rijmschema, lombarden en paragraaftekens. Onzuiver rijm: vss. 16/18, 21/23 en 41/43 (telling Willems 1827-1830, p. 296-299). Op de afrondingsformule volgt na een paragraafteken: Och gutlich boel staet mer in staden / Want ic leue in wr ghenaden, gevolgd door (in textualis) M===EY (paragraafteken) OCH QUAEM DEN TZIJT.
Petit-Nommer(s): 
771; 773
Edities: 
Alberdingk Thijm 1850-1852 , dl. 1 p. 149-150
Alberdingk Thijm 1850-1852 J.A. Alberdingk Thijm (ed.), Gedichten uit de verschillende tijdperken der Noord- en Zuid-Nederlandsche literatuur. Amsterdam (Van Langenhuysen) 1850-1852. 2 dln.
Antonissen 1947 , dl. 1 p. 80
Antonissen 1947 R. Antonissen, Lyriek der Nederlanden. Antwerpen etc. (Ned. Boekhandel) 1947. 4 dln. Klassieke galerij 37-40.
Brinkman/Schenkel 1999 , band 1 p. 360-363
Brinkman/Schenkel 1999 H. Brinkman & J. Schenkel (ed.), Het handschrift-Van Hulthem. Hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, 15.589-623. Diplomatische editie bezorgd door -. Hilversum (Verloren) 1999. 2 banden. Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden 7/1-2.
Hoffmann von Fallersleben 1830-1857 , dl. 2 p. 201
Hoffmann von Fallersleben 1830-1857 H. Hoffmann von Fallersleben, Horae Belgicae. Studio atque opera Henrici Hoffmann Fallerslebensis. Vratislaviae etc. (Aderholz etc.) 1830-1857. 12 dln in 3 bdn. [Fotomech. herdruk Amsterdam (Rodopi) 1968].
Pollman 1962 , p. 61
Pollman 1962 J. Pollman, Van tweeërlei minne; bloemlezing van Middelnederlandsche lyriek. Zwolle (Tjeenk Willink) 1962. Klassieken uit de Nederlandse letterkunde 16.
Visscher 1835 , p. 254-256
Visscher 1835 L.G. Visscher, Bijdragen tot de oude letteren der Nederlanden.
Willems 1827-1830 , p. 296-299
Willems 1827-1830 J.F. Willems, Mengelingen van historisch-vaderlandschen inhoud. Uitgegeven door ─. Antwerpen (Schoesetters) 1827-1830.
Willems 1848 , p. 150-152
Willems 1848 J.F. Willems, Oude Vlaemsche liederen ten deele met de melodiën uitgegeven door ─. Gent (Gyselynck) 1848.
Secundaire literatuur: 
Dezaire 1943A , p. 165
Dezaire 1943A P. Dezaire, 'Het heroïsch element in het Middel-Nederlandsch wereldlijk lied'. In: Nederland 95 (1943), p. 160-165.
Dezaire 1943B , p. 16-17
Dezaire 1943B P. Dezaire, 'Het scheidings- en afscheidsmotief in de Middelnederlandsche wereldlijke lyriek'. In: De nieuwe taalgids 37 (1943), p. 11-19.
Hogenelst 1992A
Hogenelst 1992A D. Hogenelst & M. Rierink, 'Praalzucht, professionalisme en privé-collecties. De functie van Middelnederlandse profane liedverzamelingen rond 1400'. In: F. Willaert e.a., Een zoet akkoord. Middeleeuwse lyriek in de Lage Landen. Amsterdam (Prometheus) 1992, p. 27-55 en 328-336. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen 7.
Mone 1834B
Mone 1834B F.J. Mone, 'Liebeslied'. In: Anzeiger für Kunde des teutschen Mittelalters 3 (1834), kol. 179-181.
Schenkel 1997A , p. 43
Schenkel 1997A J. Schenkel, 'Het handschrift-Van Hulthem, het Comburgse handschrift en de scriptoriumhypothese'. In: Queeste 4 (1997), p. 42-59.
Schludermann 1996
Schludermann 1996 B. Schludermann, A quantitative analysis of German/Dutch language mixture in the Berlin songs mgf 922, the Gruuthuse-songs, and the Hague ms 128 E 2. Göppingen (Kümmerle) 1996. 3 dln. Göppinger Arbeiten zur Germanistik 338.
Schnell 1985
Schnell 1985 R. Schnell, Causa amoris: Liebeskonzeption und Liebesdarstellung in den mittelalterlichen Literatur. Bern (Francke) 1985. Bibliotheca Germanica.
Strijbosch 1996 , p. 6-7 en 24
Strijbosch 1996 C. Strijbosch, Repertorium van Middelnederlandse liederen in bronnen tot 1500. Deel 1: Bronnenrepertorium. Antwerpen (UFSIA) 1996.
Te Winkel 1887 , p. 449-450
Te Winkel 1887 J. te Winkel, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Haarlem (Bohn) 1887.
Te Winkel 1922-1927 , dl. 2 p. 76
Te Winkel 1922-1927 J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. 2e dr. Haarlem (Bohn) 1922-1927. 7 dln. [Ongew. herdr. Utrecht etc., 1973].
Parallellen en varianten: