Repertorium Hulthem
Vanden plaesteres ·lvj·
Hulthem-Nr:
56
(f. 56ra,31-56vb,19)
Opschrift:
Vanden plaesteres ·lvj·
Incipit:
Mi quam te voren in minen moet
Dat men menech amboch doet
Explicit:
Die wille gheloefs die wille ontbaers
Ic blijfts metten plaesteraes
Afrondingsformule:
nota ·C·xx· verse
Weergave inhoud:
Het komt mij voor dat maar weinig mensen trots zijn op hun ambacht. Vergeleken bij wever, voller, scheerder en bakker is het beste ambacht dat van pleisteraar, maar dan eentje zonder troffel. Dat wil ik ook wel leren. Van buiten aardig, van binnen vol bedrog. Veel mooie beloften, maar alleen helpen als er veel geld te verdienen is. Zowel mannen als vrouwen pleisteren. Ze worden rijk en zijn alleen op eigen voordeel uit, zoals de meeste heren. Men vindt ze onder hooggeplaatsten en ze dringen zich overal naar voren, in de ene hand vuur, in de andere water. In alle beroepen wordt gepleisterd, door smeden, kooplieden, schoenmakers, kleermakers en vele anderen. Bijna vergat ik de beste pleisteraars, de 'piskijkers'. Die maken zich zelden vuil en laten zich duur betalen. Hoe harder men piept en schreeuwt, hoe meer zij lachen. Ook baljuws, schepenen en slotvoogden kunnen pleisteren. Zeg dus niets kwaads van het pleisteren, het grootste deel van de wereld bestaat uit pleisteraars. Ze zijn zo geliefd, dat ik maar bij hen blijf.
Auteurs:
Jan Dingelsche?
Jan Dingelsche?
Datering: onbekend
Nrs. 56 en 66 toegeschreven door Van Eeghem aan Jan Dingelsche. Niet weerlegd.
Secundaire literatuur
W. van Eeghem, Brusselse dichters. Brussel (Simon Stevin) 1958-1963. 5 dln.: dl. 3 p. 61-96
Tekstsoort:
Pseudo-ballade (Willaert 1992B), hekeldicht (Lodder 1995), hekelende profaan-ethische sproke (Hogenelst 1997).
Lengte:
120 vss., 6 strofen van 10, 2 strofen van 12, 1 strofe van 16, 1 strofe van 13, 1 strofe van 9 en 1 strofe van 8 regels
Aanvullende informatie:
Initiaal-M 2 regels hoog, lombarden (1 regel hoog) op onregelmatige plaatsen. ─ Stokregel: Ic moet emmer plaesteren leren (+ var.). ─ Strofenindeling gebaseerd op rijmschema en stokregel. Lombarden vss. 13, 23, 33, 49, 59, 69, 79, 91, 104 en 113. Strofe 1 en 8: 12 vss., strofe 4: 16 vss., strofe 9: 13 vss., strofe 10: 9 vss. en strofe 11: 8 vss.; inconsequentie van strofelengte doet corruptie vermoeden. Weesrijm: vss. 99 en 104; onzuiver rijm: vss. 41/42, 109/110 en 119/120.
Edities:
Brinkman/Schenkel 1999
, band 1 p. 354-357
Brinkman/Schenkel 1999
H. Brinkman & J. Schenkel (ed.), Het handschrift-Van Hulthem. Hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, 15.589-623. Diplomatische editie bezorgd door -. Hilversum (Verloren) 1999. 2 banden. Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden 7/1-2.
Serrure 1855
, p. 324-327
Serrure 1855
C.P. Serrure (ed.), 'Kleine gedichten uit de dertiende en veertiende eeuwen'. In: Vaderlandsch museum 1 (1855), p. 41-99 en 296-401.
Van Vloten 1885
, p. 151 (fragment)
Van Vloten 1885
J. van Vloten, Beknopte geschiedenis der Nederlandsche letteren van de vroegste tijden tot op heden, een leer- en handboek voor hoogere burger- en andere scholen. 3e herz. dr. Tiel (Campagne) 1885.
Secundaire literatuur:
Alberdingk Thijm 1860
Alberdingk Thijm 1860
J.A. Alberdingk Thijm, 'Van plaesteraers. Eene studie over het beginsel "schijn-en-waarheid" in de kunst'. In: Dietsche warande 5 (1860), p. 1-29.
Van Anrooij 1991
, p. 193
Van Anrooij 1991
W. van Anrooij & A.M.J. van Buuren, ''sLevens felheid in één band: het handschrift-Van Hulthem'. In: H. Pleij e.a., Op belofte van profijt. Stadsliteratuur en burgermoraal in de Nederlandse letterkunde van de Middeleeuwen. Amsterdam (Prometheus) 1991, p. 184-199 en 385-391. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen 4.
Van Eeghem 1954
, p. 407-408
Van Eeghem 1954
W. van Eeghem, 'Lexicologische sprokkelingen'. In: Versl. & meded. van de Kon. Vl. Acad. voor taal- en letterkunde 1954, p. 399-421.
Van Eeghem 1958-1963
, dl. 3 p. 85-96
Van Eeghem 1958-1963
W. van Eeghem, Brusselse dichters. Brussel (Simon Stevin) 1958-1963. 5 dln.
Hogenelst 1997
, dl. 2 p. 53 (57)
Hogenelst 1997
D. Hogenelst, Sprekers en sproken. Inleiding op en repertorium van de Middelnederlandse sproke. Amsterdam (Prometheus) 1997. 2 dln. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen 15. Diss. Leiden.
Lodder 1995
, p. 55
Lodder 1995
F.J. Lodder, 'Een genre der boerden?' In: Queeste 2 (1995), p. 54-71.
Lodder 1997
, p. 12
Lodder 1997
F.J. Lodder, Lachen om list en lust. Studies over de Middelnederlandse komische versvertellingen. Leiden (Ridderhof) 1997. Diss. Leiden.
Meder 1993
, p. 94
Meder 1993
T. Meder, 'Fatale vrouwen. Een negatief trouwadvies in middeleeuwse etiquetteboeken'. In: Literatuur 10 (1993), p. 88-96.
Pleij 1988
, p. 160
Pleij 1988
H. Pleij, De sneeuwpoppen van 1511: Literatuur en stadscultuur tussen Middeleeuwen en moderne tijd. Amsterdam etc. (Meulenhoff) 1988.
Pleij 1991C
, p. 20, 24
Pleij 1991C
H. Pleij, 'Inleiding: op belofte van profijt'. In: H. Pleij e.a., Op belofte van profijt. Stadsliteratuur en burgermoraal in de Nederlandse letterkunde van de Middeleeuwen. Amsterdam (Prometheus) 1991, p. 8-51 en 347-353. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen 4.
Serrure 1855
, p. 303
Serrure 1855
C.P. Serrure (ed.), 'Kleine gedichten uit de dertiende en veertiende eeuwen'. In: Vaderlandsch museum 1 (1855), p. 41-99 en 296-401.
Van Vloten 1885
, p. 151
Van Vloten 1885
J. van Vloten, Beknopte geschiedenis der Nederlandsche letteren van de vroegste tijden tot op heden, een leer- en handboek voor hoogere burger- en andere scholen. 3e herz. dr. Tiel (Campagne) 1885.
Parallellen en varianten:
─